40-45: Het geweten van Elma Drayer

May 7, 2009

Het past, vrees ik, in een bredere trend. De doden uit 1940-1945 moeten tegenwoordig hevig concurreren met onrecht en leed van recenter datum.

Als ik me niet vergis, begon de omslag zo’n vijftien, twintig jaar geleden. Wij dienden, hoorde je alom, de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog „door te trekken naar onze tijd”. Naar hedendaagse vormen van ’rassendiscriminatie’, naar eigentijdse uitbarstingen van geweld. Lieten we dat na, zo was de gedachte, dan zou het ’draagvlak’ voor Dodenherdenking en Bevrijdingsdag onder jongere generaties rap slinken.

Rond 1995 verschoof het accent ook officieel van terugblikken naar vooruitkijken, van ’bevrijding’ naar ’vrijheid’. En bij het Nationaal Monument op de Dam klonk op 4 mei voortaan de mededeling dat wij twee minuten stilstaan bij „allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties”.

Eerlijk gezegd heb ik de ratio achter die verbreding nooit begrepen. Hoezo zou je álle slachtoffers van álle conflicten ’waar ook ter wereld’ moeten herdenken?

Wat is er eigenlijk op tegen om je op die ene, afgebakende dag, te beperken tot die ene, afgebakende periode? Waarin wandaden zijn gepleegd op een schaal die nog steeds alle verstand te boven gaat? Persoonlijk heb ik daar mijn handen tot op de dag van vandaag meer dan vol aan. …


bron

Ik begrijp wel waarom Drayer dit zegt. Zij was bijvoorbeeld een voorstander van de moorddadige, immorele, illegale en afschuwelijke Amerikaanse inval in Irak. De oorlogsmisdaden gepleegd door het Israëlische leger in Gaza wist zij ook te bagatelliseren (door ze te verzwijgen, zelfs als het onderwerp in haar eigen columns ter sprake kwam).

Als zij dan de herdenking van “40-45″ (waar zij “haar handen.. meer dan vol” aan heeft) zou moeten doortrekken naar het heden, dan komt haar eigen morele falen in beeld. Door de gruwelen van het verleden veilig op te sluiten in een eens per jaar uitpakbaar doosje, hoeven de overeenkomsten (en verschillen) met het heden niet meer op te vallen, en heeft het ook geen enkele morele consequentie.

De functie van zo’n herdenking is dan het valse sentiment, het zichzelf wegens de morele zuiverheid op de borst kloppen (”ik zou dat toch nooit doen”), en mogelijk een vorm van plat nationalisme, waarbij het slachtofferschap van “het Nederlandsche volk” een gevoel van belegerdheid moeten cultiveren. Een zompige vorm van navelstaren waar we juist van af moeten. Nu al weten we niet waar we voor staan, waar we vandaan komen en waar we heen willen.

Zie ook Spiritual Change voor meer inzicht in deze materie, de herdenking van onze (oorlogs)geschiedenis.