Aan tafel met de diplomaten
Onlangs was ik in Leiden bij een soort elitaire bijeenkomst waarbij studenten konden babbelen met diplomaten en aan de diplomatie gelieerde lieden van allerlei landen. Deze bijeenkomst droeg de naam “Japanse tafeltjesavond”, en moest plaatsvinden in een informele, ongedwongen sfeer.
Er zat een consul, of ambassadeur, van Afghanistan bij. Dat was onaangekondigd. Afghanistan, dacht ik - dat behoort toch tot mijn interesses. De Afghaanse diplomaat begon het gesprekje met een soort mini-college over hoe Afghanistan in elkaar zat.
Toen de diplomaat begon over het belang van de strijd tegen de opiumteelt/heroïnehandel kon ik het niet laten om hem te confronteren met het feit dat de vervloekte Taliban toch zo ongeveer alle opium hadden uitgeroeid; en dat, toen de CIA eenmaal het land weer naar hun hand hadden gezet, binnen een mum van tijd de papaverproductie weer op peil was. Zodat het toch lichtelijk naïef was om uitgerekend van de VS en de door de VS beheerste NAVO een bijdrage aan de oplossing van het opiumprobleem te verwachten, zoals hij zo vroom deed.
Zonder het direct te weerleggen, zei de sluwe diplomaat triomfantelijk, maar zichtbaar niet erg verheugd met mijn interruptie, “ja, maar de Taliban hadden wel een voorraad aangelegd voor de komende zeven jaar!”
Dat leek me nu een interessant discussiepunt. Ik had verwacht dat een dergelijke mededeling, die ik nog nergens in de altijd oplettende dagbladen had zien figureren, de nieuwsgierigheid van de andere in de diplomatie geïnteresseerde studenten zou prikkelen. Maar de andere studenten aan tafel, opgeleid aan het vanzelfsprekend ultra-kritische en hyper-intellectuele topinstituut de universiteit Leiden, lieten het verder voor wat het was.
Ze negeerden mij alsof ik een rare vruchtentaart was, en een jongedame begon vrolijk over de vraag of de Afghaanse vrouwen blij waren dat ze niet meer zo’n tent over hun hoofd hoefden te trekken (of zoiets).
Dat zijn van die momenten waarop het vertrouwen in onze nieuwe lichting intellectuelen ons hart verwarmt.

Een andere diplomate kwam uit Zweden. Mijn interesse in Zweden is maar lauw, maar ik had me enigszins voorbereid en vuurde wat vragen op de Zweedse diplomate af, een wat sociaal-democratisch overkomende vrouw van begin vijftig. Ik vroeg haar of de Europeanen haar wel eens onder druk zetten om nou eens korte metten te maken met die vervelende Zweden die bij referenda tegen de euro stemmen. Ik voegde daaraan toe dat de Zweden er zeer verstandig aan hadden gedaan, want wie assimileert aan de eurozone geeft elke vorm van monetaire soevereiniteit op en laat rentestand en inflatie geheel aan de genade van o.a. de bankiers in Frankfurt en Parijs over.
Nee, zo werd mij tegengeworpen, de euro zou in deze barre tijden juist voor stabiliteit kunnen zorgen. Want de Zweedse kroon deed het niet al te best; misschien dat de Zweden eens zouden inzien hoeveel ze wel niet misten. In tegenstelling tot de Afghaan denk ik dat deze vrouw geloofde in wat ze zei. Ze was ook zelf reeds “scared into submission”, want dat is natuurlijk hoe je een onwillig volk iets als een euro door de strot duwt.
Ik kreeg het nodige tegengas van een student die zich zichtbaar op zijn gemak voelde tussen de diplomaten, en zich al voorbereidde op een plaatsje onder de elitaire zon. Hij meldde met enige minachting dat “het volk” maar wat riep en geen flauw idee had hoe mooi die Europese grondwet eigenlijk was. Kortom, “het volk” had er om populistische, niet ter zake doende redenen tegen gestemd. Met andere woorden, dit was het bewijs dat je nodig hebt om aan te tonen dat referenda niet deugen. In Zwitserland kan het toch wel, zei ik — maar dat telde niet, want die mensen waren eraan gewend.
De Zweedse was het ermee eens. “We hebben in Zweden immers gekozen voor de representatieve, parlementaire democratie.” En het volk moet de immer integere representatieve parlementariërs niet bij elk triviaal issue (euro? Grondwet?) voor de voeten lopen.
Het werd steeds duidelijker dat ik een irritante stoorzender was, een populist (leest hij geen kranten?) die niet echt thuishoorde in dit gezelschap. Ik raak niet zo gauw verbaal geïntimideerd, maar ernstig verkouden als ik was maakte ik geen astrale indruk.
De Palestijnse delegatie was natuurlijk van de Fatah-tak. Het zou interessanter zijn geweest met iemand van Hamas te kunnen spreken, aangezien deze club daadwerkelijk democratisch gekozen was. Eén van de vragen die ik stelde was de vraag waarom de propaganda van de Palestijnen zo erbarmelijk slecht was. Het lange antwoord, dat onder andere omvatte dat goed onderwijs en gezondheidszorg erg belangrijk waren, kwam erop neer dat de propaganda van de Palestijnen, in vergelijking met de Israëlische, inderdaad te wensen overliet. Vandaar dat bijna niemand in het westen weet hoe de Westbank (noem het Kolonistan) in kleine incoherente stukjes is geknipt, om de Palestijnen zo weinig mogelijk reden tot vrolijkheid te geven.
We werden het aan tafel ook eens dat de leiders van de Arabische wereld hopeloos corrupt en incompetent waren, een voor sommigen verrassend bevrijdende constatering. Erg nuttig was dit gesprek met vertegenwoordigers van de volkomen irrelevante Fatah verder niet, maar de belangstelling voor de Palestijnen, die te maken hebben met groot onrecht, mag nu en dan ook wel eens getoond worden.
Een prettig gesprek was het gesprek met een aardige jonge vrouw uit Estland. Niet iemand die zelf al te hard nadenkt en haar ingespoten ideologie in Frage stellt, maar wel zeer charmant, een wat breekbaar vogeltje. Je wilt haar niet tezeer pijn doen met de waarheid, kortom, de ideale diplomaat-assistent.
Ik vroeg haar of de zeer neoliberale koers van Estland, nu de economie van de Verenigde Staten op instorten stond, mensen aan het denken zette over de wenselijkheid om lid van de EU te worden met de onvermijdelijke euro. En hoe wilde Estland haar onafhankelijkheid van Rusland bewaren, nu de grote broer zijn directe buren in de gevaarlijke houdgreep van gas- en olieleveranties kon houden, zonder Rusland direct al te zeer te provoceren.
Ik kreeg een aandoenlijk verhaal te horen dat voorkwam uit niets minder dan liefde voor de Verenigde Staten, dat de onafhankelijkheid van Estland in de Sovjettijd toch maar altijd was blijven erkennen. Met weemoed dacht zij terug aan de uitzendingen van Radio Free Europe. Ik kon een glimlach niet onderdrukken, maar besloot de CIA en andere kritische uitingen van sfeerbederf niet te noemen om deze nostalgische vreugde niet teniet te doen.
Ook hier kreeg ik te maken met oppositie. En wel in de vorm van een bestropdaste, goed gecoiffeerde jongeman met een bovengemiddelde belangstelling in het reilen en zeilen van het corps diplomatique. Hij was het totaal niet met me eens dat het lood om oud ijzer is of je nu in de greep bent van het Russisch, dan wel het Amerikaans imperium. Het concept van Russisch imperialisme kwam hem wel bekend voor, maar de Amerikaanse bemoeienis met de wereld kwam, zo leerde ik, voort uit de wens vrijheid en democratie over de planeet te verspreiden.
Nu werd het mij teveel. Ik voelde me zo langzamerhand als een CPN’er op een VVD-borrel. Tegen zoveel ambitie kon ik niet op.





